U gebruikt een verouderde browser. Ondervindt u problemen bij het openen van deze pagina, vragen wij uw browser te updaten of een andere browser te gebruiken.

Abstracts

Ontwikkelingen Acute GGZ 2022: “We hebben al een GMAP. Wat nu weer?”
Jeroen Zoeteman, psychiater/directeur behandelzaken - Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam

In de periode 2020-2024 wordt de Generieke Module Acute Psychiatrie (GMAP) geïmplementeerd. De GMAP (spreek uit: Gémap) is de multidisciplinaire ketenstandaard die is ontwikkeld na de knelpunten analyse van SiRM uit 2015, waarbij de GGZ crisisdiensten en ketenpartners hun gemeenschappelijke uitgangspunten hebben geformuleerd. Relevant is dat de GMAP gebruikt wordt om in een regio een regioplan Acute Psychiatrie te ontwikkelen, met bijbehorende bekostiging. Waar staan we nu met de implementatie, welke ontwikkelingen verdienen onze aandacht nog, en is de ontwikkeling van de GMAP afdoende?

 

Suïcidepreventie: van onderzoek naar de praktijk
Derek de Beurs, hoofd Epidemiologie Trimbos Instituut

Achtergrond: De afgelopen 20 jaar zijn er internationaal veel studies verschenen naar suicidaliteit, maar wat betekenen deze studies voor de behandelaar?
Doel: Inzicht geven in de (on)mogelijkheden van onderzoek naar suicidaliteit, met implicaties voor de praktijk
Methode: Bespreken van internationaal vooraanstaande reviews naar universele, selectieve en geïndiceerde preventie
Resultaten: De reviews laten vaak kleine effecten zien, waarvan het directe effect op de landelijke cijfers moeilijk aan te tonen is.
Conclusie: Het is lastig om onderzoek naar suïcidaliteit te doen.  Voor de behandelaren betekent dit dat er goed gekeken moet worden naar de effectiviteit maar ook naar de schaalbaarheid van een interventie.

 

Hoe overleef ik mijn doodsgedachten?
Bodine de Walle, ervaringsdeskundige, en sociaal pedagoog - winnaar Jan Mokkenstormprijs 2021

Bodine de Walle (1950), is de ervaringsdeskundige en sociaal pedagoog achter het ontwerp en de uitvoering van de cursus ‘Hoe overleef ik mijn doodsgedachten?’

De deelnemers die worstelen met doodsgedachten, onderzoeken de invloed van hun lijdensgeschiedenis; ‘Heb ik gelijk dat ik niet wil leven?’ òf; ‘Wil ik mezelf beschermen?’



Het effect van de cursus is gelegen in het ontrafelen van de doodswens waardoor er perspectieven ontstaan om te leven. De doodsgedachten worden tembaarder, er komt meer rust. Men kan er zelfs mee leven. Aan de hand van het werken met thema’s en een cursuswerkboek ontstaat een klimaat waarin de groepsleden hun eigen toeschouwer leren zijn en verantwoordelijkheid gaan dragen voor herstel òf voor waardig en weloverwogen sterven. Er wordt stil gestaan bij de grens tussen zelf regisseur kunnen zijn over je leven en het moment dat je niet meer voor jezelf en je leven in kan staan, c.q. dat je hulp moet vragen voor leven of dood.

Het is geen lotgenotengroep maar een groep met lotgenoten die hun eigen lot willen onderzoeken.

 

Het belang van een klinische behandeling; De plaats van de kliniek binnen de ambulantiserende GGZ–
Nicki Vos, psychiater Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam

Veel gehoorde uitspraken in het kader van de ambulantsiering zijn: ‘Opname is slecht’, ' Een opname moet zoveel mogelijk voorkomen worden.‘ of ' Opname is ook schadelijk.‘ Klinische en ambulante zorg lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan. De klinische zorg zit in een verdomhoekje. In deze presentatie wordt antwoord gegeven op de vraag: Geeft opname symptoom reductie? En op zorgorganisatie niveau: Wat kunnen we zeggen als klinische zorg vergeleken wordt met ambulante zorg?

Een alternatief voor een klinische opname is intensieve behandeling thuis (IBT). Een andere vergelijking voor klinische zorg kan gemaakt worden met (F)ACT zorg. In de eerste plaats is de overweging dat een verblijf in de kliniek, ook als daar goede zorg wordt geboden, de kwaliteit van leven, de behandeling en het herstel van cliënten niet ten goede komt. Ambulante hulp biedt in dit opzicht veel meer mogelijkheden om aan te sluiten bij de fysieke, sociale en maatschappelijke omstandigheden van cliënten en hun daaruit voortkomende praktische, psychiatrische en sociaal-maatschappelijke hulpvragen. Daar komt bij dat onderzoek in de loop der jaren heeft laten zien dat mensen met ernstige psychische aandoeningen – ook diegenen die langdurig in een intramurale setting verblijven – zelf doorgaans een sterke voorkeur hebben voor zelfstandig wonen en ambulante hulp te krijgen. De actuele belangstelling voor de mogelijkheden tot ambulantisering komt echter niet alleen voort uit zorginhoudelijke motieven maar ook uit financiële overwegingen. Zorg is complementair en niet alternatief. Uit studies blijkt dat klinische en ambulante zorg geen ‘plus/min model is’. Een hogere capaciteit van ambulante zorg correleert met ook een hogere capaciteit klinische zorg. Nederland scoort met name op ambulante zorg i.v.m. klinische zorg hoger dan andere landen. In de periode tot 2010 is er een verschuiving geweest naar beschermd wonen maar na 2010 is de verschuiving gestabiliseerd.

Conclusies: Klinische behandeling is niet evident goed of slecht. Klinische zorg is niet beter of slechter als alternatieve (ambulante) zorg. Pas op voor bestuurlijke besluiten, ze zijn gebaseerd op visies. Klinische en ambulante zorg zijn complementair en niet alternatief.

 

Wilsbekwaam-onbekwaamheid en palliatieve verslavingspsychiatrie
Dick van Etten, Verpleegkundig Specialist Jellinek Amersfoort

Hoe kom je samen op één lijn als een patiënt of cliënt niet zelf kan beslissen?  “Op verzoek van de familie gingen we op bezoek bij een man met een alcoholverslaving”. “Hij zat vol met blauwe plekken als gevolg van valpartijen. We vermoedden Korsakov en wilden hem opnemen, maar hij zag totaal het probleem niet. De arts oordeelde dat de man wilsonbekwaam was. Met een zorgmachtiging lieten we deze cliënt gedwongen opnemen. Heel naar maar zonder ingrijpen hadden we hem een keer dood aangetroffen.” “Wel of niet medicatie slikken, wel of geen detox: wie wilsbekwaam is, ziet vaak prima de consequenties van een beslissing. Hoe vindt je als hulpverlener dan de balans als iemand er voor kiest toch door te drinken?

 

Coronazorg in de GGZ; pionieren in Brabant
René Voesenek, adviseur in de Zorg, programma manager GGZ Breburg.

Hoe is GGz Breburg in de regio Brabant omgegaan met de corona pandemie. GGZ Breburg is o.a. een eigen vervoersdienst begonnen, hebben mobiele testbrigades opgezet, cohortafdelingen gestart en een intern crisisteam in het leven geroepen. Ook zal er aandacht worden besteed aan de regionale opvang door medewerkers van GGz Breburg voor collega’s in en buiten de GGZ die in de frontlinie van de coronazorg actief waren.

 

Streettriage Twente
Gerard Bresser, Teamchef Zorg&Veiligheid Politie
Oost-Nederland 

Het idee achter Street-triage is simpel en doeltreffend. Een team van een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en een politieagent reageert als eerste op meldingen van overlast door ‘mensen met verward gedrag’ die bij de politiemeldkamer binnenkomen. Wanneer zij gezamenlijk in de Street-triagewagen arriveren, beoordelen zij ter plekke de problemen: is inzet van psychiatrische zorg nodig of zijn er lichamelijke klachten en moet iemand naar de spoedeisende hulp? Als er sprake is van strafbare feiten wordt iemand overgedragen aan Justitie.

Snelle triage: Een snelle triage voorkomt dat mensen op verkeerde plekken in het systeem terechtkomen of lang moeten wachten op adequate vervolgzorg (bijvoorbeeld een onnodig verblijf op het politiebureau of wachten op een beoordeling door de crisisdienst). De persoon met verward gedrag kan direct in de Street-triagewagen worden meegenomen naar een geschikte vervolgplek. Een snelle triage ontlast andere hulpverleners of bezorgde burgers.

Resultaten: Street-triage is een goede manier om verwarde burgers in crisis tegemoet te treden vanwege de gecombineerde inzet van veiligheid en zorg. Hierdoor worden verwarde burgers sneller en beter geholpen (juiste zorg op de juiste plek). Het is van belang om Street-triage in te zetten in een regio met voldoende meldingen en tegelijk een korte aanrijtijd. De inzet van Street-triage werkt alleen wanneer hiervoor apart medewerkers worden vrijgehouden.

 

Excited Delirium Sy. en arrestatie gerelateerd geweld
Simon Heuts, Arts Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam/ en Lianne Dijkhuizen, forensisch arts bij GGD IJsselland  

Achtergrond: Personen met een acute verwardheid kunnen in een medische noodsituatie terecht komen bij aanhouding door politie, met soms een fatale afloop. Dit beeld is bekend komen te staan als het opwindingsdelier. Zowel in de medisch-wetenschappelijke literatuur als in de publieke media is hierover ophef ontstaan.

Doel: Overzicht bieden betreffende de pathofysiologische, epidemiologische en klinische aspecten van het opwindingsdelier, van de controverse en mogelijkheden tot preventie van fatale uitkomst. Methode: Een literatuuronderzoek in de PubMed database.

Resultaten: Vijfentwintig studies werden geïncludeerd, waarvan één systematische review en één research synthese. Het opwindingsdelier komt met name voor bij jonge, lichamelijk gezonde mannen die onder invloed zijn van drugs en/of een psychiatrische stoornis. Er bestaan twee pathofysiologische theorieën; de centrale dopaminerge en de catecholaminerge hypothese. Op zowel medisch-wetenschappelijk als maatschappelijk vlak is er controverse over het bestaan van het ziektebeeld en over de doodsoorzaak. Er zijn sterke aanwijzingen dat de mortaliteit verminderd kan worden door tijdige herkenning, de-escalatie en medische behandeling.

Conclusie: Het opwindingsdelier is een ernstige complicatie van een drugsintoxicatie of een psychiatrische stoornis, die kan optreden bij fysieke aanhouding. Verbeterde samenwerking tussen GGZ en politie zou fatale aflopen kunnen voorkomen.